Ik heb tijdens mijn onderzoek naar de psychologie van zingevinsaspecten in coachingstrajecten ook de relatie tussen psychotherapie en (al dan niet religieuze) levensbeschouwing bestudeerd, om van daaruit lijnen te kunnen doortrekken naar het coachingsvak . Is levensbeschouwing wel of niet een geschikt gespreksonderwerp in coaching? Zijn er risico's, voor- en nadelen aan verbonden?

Voor de diepgravers onder u die niet vies zijn van ingewikkeld taalgebruik en voor alle coaches!

Wat is een gezonde psychologische ontwikkeling en wat is (dis)functioneren op de arbeidsmarkt? Wat hoopt de coach voor de cliënt? Hoe verhoudt die normativiteit zich tot de eigen (al dan niet) metafysische overtuigingen? Het zijn vragen waar iedere coach bij stil moet hebben gestaan.


De visies op dit terrein worden bepaald door wat bij Dilthey de Weltanschauung (hierna wereldbeeld) heet (Richards & Bergin, 19 97). Dit samenstel van overtuigingen ten aanzien van het universum en de aard van de werkelijkheid heeft epistemologische gevolgen. Zo laat een behavioral wereldbeeld zich karakteriseren door het nuttigheids- en no-nonsensedenken. Primair gaat het erom of iets werkt, of het meetbaar is, wat het kost en of het beheersbaar is. Volgens Van Kalmthout (2001) wordt deze ideologie op grote schaal in de psychotherapie toegepast. Daar tegenover zou je Richards & Bergin kunnen positioneren die hun theïstische wereldbeeld als uitgangspunt voor therapie nemen. Religie en therapie kunnen daardoor in elkaar overvloeien.
Zonder daarnaar onderzoek te hebben gedaan durf ik te stellen dat bij coaches ook soortgelijke tegenstellingen voorkomen, enerzijds een no-nonsense aanpak job coach, anderzijds een spiritueel antroposofische benadering die met creatieve methodes op zoek naar bezieling gaat.
In dit continuüm bevinden zich tussen de atheïstische rationalist aan de ene kant en de absolute theïst aan de andere kant allerlei genuanceerde tussenposities die mede bepalend zijn voor de opvatting over de relatie tussen religie/spiritualiteit en therapie/coaching en de gevolgen die dat voor de vakuitoefening heeft. Met A.W. Braam ben ik het eens dat elke hulpverlener in de GGZ (en de coach volgens mij), ook de agnost en ietsist, de eigen plaatsbepaling dient te kennen op het gebied van geloof, zingeving en religie (Braam, 2006a). De invloed van de eigen grondwaarden op non-specifiek werkzame factoren in het werkproces moet men zich bewust zijn. En dat geldt ook voor een theoretisch referentiekader van waaruit naar de (sociale) werkelijkheid wordt gekeken. De denkmodellen bepalen mede de sensitiviteit voor bepaalde aspecten in het verhaal van de cliënt. Wel of niet exploreren of zelfs ontkennen van religieus materiaal kan natuurlijk heel goed gefundeerd zijn in de persoonlijke overtuiging en geschiedenis van de coach. Het kan leiden tot vormen van tegenoverdracht en ten koste gaan van het coachingsproces. Dit in de coach gelegen risico mag niet gebagatelliseerd worden. Voorzichtigheid is geboden.

Een ander risico van het aan de orde stellen van een religieus wereldbeeld is gelegen in de mogelijke affectieve reactie die bij de coachee wordt opgeroepen door het spreken over God. Indien het een high controlling beeld van God betreft kan dat leiden tot een negatieve affectieve reactie. Tevredenheid met het leven o.a. kan daardoor negatief worden beïnvloed (Wiegand, 2006). Als praktijkvoorbeeld kan ik geven een 56-jarige, inmiddels onkerkelijke, Scheveninger die beslist niet wilde praten over zijn geloofsachtergrond. Dat lag schijnbaar te gevoelig. Indien mijn vermoeden juist is, wilde deze man tijdens zijn poging om, na twee periodes van overspannenheid, de controle over zijn werkend leven te herwinnen niet herinnerd worden aan een orthodoxe achtergrond waar de controle bij God en/of anderen lag. Gelukkig kon zijn succesvolle reïntegratie ook op andere wijze worden bereikt.
De coach moet zich overigens ook nog beseffen dat er sprake kan zijn van met het religieuze wereldbeeld of kerkelijk instituut verband houdende psychische problematiek, zogenaamde ecclesiogenic disorders. Doorverwijzing naar therapeut en/of pastor is, mede om rolverwarring te voorkomen, in dat geval de enige juiste actie.
Als laatste, in de coach gelegen, risico noem ik de neiging om zich met therapie bezig te houden. In de eerste persoonsgerichte fase ligt dat gevaar op de loer voor een daarin geïnteresseerde en daarvoor al dan niet toegeruste coach. De titel van het hieronder aangehaalde artikel van Williams luidt niet voor niets “… therapie of coaching: het voortgaande debat”.
Er zijn dus risico’s die in de persoon van de coach en van de coachee gelegen kunnen zijn.

Gezien de aanzienlijke verschillen tussen coaching en therapie is mijn slotsom dat, indien de grenzen met therapie goed worden bewaakt en met bovengenoemde risico’s rekening wordt gehouden, de levensbeschouwing als potentiële bron voor het acceptatieproces en als motivationele factor kan worden besproken.

De volgende vraag is hoe het levensbeschouwelijke wereldbeeld aan de orde wordt gesteld. Richards & Bergin (1997,131) onderscheiden een aantal benaderingen van religie door therapeuten. De vraag is daarbij of de therapeut ook zijn eigen (religieuze) waarden kenbaar maakt en hoe groot het risico van (ongewenste) beïnvloeding is.

Zij onderscheiden de volgende benaderingen:
Denyers zijn de therapeuten die het risico, dat zij hun waarden aan de cliënt zouden kunnen opdringen, ontkennen. Omdat zij een liberaal, relativistisch standpunt ten opzichte van verschillende waardesystemen innemen is iedere visie van de cliënt in zich waardevol. De denyers zien daarbij over het hoofd dat dit relativisme zelf ook waardegeladen is en dus de cliënt en/of het proces kan beïnvloeden.
Implicit minimizers menen dat hun eigen waarden wellicht wel in het proces een rol zouden kunnen spelen, maar zij trachten het risico van beïnvloeding te minimaliseren door hun eigen waarden niet expliciet aan de orde te stellen.
Explicit en implicit imposers zijn overtuigd van de juistheid van hun waarden voor de wereld en dus ook de cliënt. Beiden zijn geneigd om hun waarden aan de cliënt op te leggen. De eersten doen dat door hun waarden expliciet aan de orde te stellen, de laatsten doen dat op een meer bedekte wijze.

Ik zou bij coaching willen pleiten voor een andere benadering, die van een explicit minimizer. Het valt niet te ontkennen dat een coach soms verbaasd zal opkijken als een coachee een niet-alledaags wereldbeeld heeft. Egyptian healing bijvoorbeeld is mede gebaseerd op de ervaring van aanwezigheid van mythische figuren uit de Egyptische oudheid. Dat zal niet alleen bij mij een wenkbrauw doen fronsen. Om daaruit voortvloeiend wantrouwen bij de coachee te voorkomen en de authenticiteit van de coach te bewaren moet er daarom voor worden gekozen om helder aan de orde te stellen dat het wereldbeeld van coach en coachee kunnen verschillen. Een voorbeeld uit de therapeutische praktijk hiervan is Frank van Ree, een agnostisch/humanistisch psychiater. Bij de intake wordt standaard naar de levensbeschouwing doorgevraagd, naar de eventuele praxis en beleving (Van Kalmthout, 2001). Het eigen standpunt en het recht op ieders eigen levensbeschouwing komen aan de orde. Indien bezwaren rijzen, kan verwezen naar of samengewerkt worden met een geestelijk verzorger of een andere therapeut. Hoewel deze werkwijze in de therapiepraktijk nog wel vragen met betrekking tot onder andere beïnvloeding oproept, is het voor de coachingspraktijk een goede werkwijze.
Mijns inziens dient de coach in de eventuele dialoog daarna zoveel mogelijk inhoudelijk neutraal te blijven, wat overigens niet verhindert om dit te combineren met sympathie en belangstelling als uitdrukking van het engagement met de coachee. Dat stimuleert de coachee om de motivationele kracht van zijn wereldbeeld tot ontplooiing te laten komen.

In concreto betekent dit dat het wereldbeeld in de intake indien mogelijk aan de orde komt. Afhankelijk van de reactie van de coachee kan vervolgens in biografie- of andere opdrachten extra aandacht worden gevraagd voor de betekenis van het wereldbeeld voor de coachee in relatie tot de vraagstelling in het hier en nu. De behoefte van de cliënt blijft natuurlijk leidend.
©Friso Boogerd


Bronnen:
Beck, James R. (2003). Self and Soul: Exploring the Boundary between Psychotherapy and Spiritual Formation. Journal of Psychology and Theology, Vol. 31, 24-36.
Braam, A.W. (2006a). Psychiater en religie: agnost of ietsist? Tijdschrift voor Psychiatrie 48/5, 387-388.
Kalmthout e.a., M. van (2001). Spiritualiteit in psychotherapie. Tilburg: KSGV.
Richards, P. Scott & Bergin, Allen E. (1997). A spiritual strategy for counseling and Psychotherapy. Washington, D.C.: American Psychological Association.
Wiegand, Katherine E. & Weiss, Howard M. (2006). Affective Reactions To The Thought Of ‘‘God’’: Moderating Effects Of Image Of God. Journal of Happiness Studies 7, 23-40.
Williams, P. (2003). The potential perils of personal issues in coaching. The continuing debate: Therapy or coaching? What every coach must know! International Journal of Coaching in Organisations, 2(2), 21–30.